Kaart lezen

Een wandelkaart leren lezen is an sich niet zo moeilijk. Door de opkomst van allerlei elektronische snufjes, schakelen vele wandelaars inmiddels over op een GPS of beginnen zelfs met wandelen nog voor ze überhaupt een wandelkaart hebben leren gebruiken. Op zich is er niets mis met het gebruiken van een GPS, maar weet dat je steeds en ten allen tijde een wandelkaart als alternatief op zak moeten hebben. Als je dan met een kompas hebt leren werken en je GPS begeeft het, kan je tenminste je weg zonder al te veel problemen verderzetten. Neem dus zeker de tijd om het gebruik van kaart en kompas te leren, want het kan soms je leven redden.

Hier wil ik het liever kort hebben over het lezen en gebruiken van wandelkaarten, meer bepaald topografische kaarten, want deze geven het meest gedetailleerde beeld van de omgeving.

Topografische kaart

Vergelijk onderstaande twee kaarten. Je kan ze vergroten door erop te klikken.

Als je goed kijkt, zie je dat het links om een kaart van Google Maps gaat, rechts van het IGN France, dat de Franse topografische kaarten maakt. Dit is exact hetzelfde stukje kaart rond de Col du Tourmalet in de Pyreneëen. Op Google Maps kaart kan je eigenlijk weinig herkennen, behalve de wegen, skipistes, skiliften en de riviertjes. Bovendien lijkt het alsof daar een bebost gebied is door al dat groen, terwijl daar enkel gras en her en der een struik te bespeuren valt. Op de IGN-kaart zie je dezelfde info over wegen en rivieren ook, maar krijg je daarenboven nog eens hoogtelijnen, hoogtepunten, waterpunten, evenals wandelpaden te zien. Er is natuurlijk de mogelijkheid om in Google Maps de reliëfkaart te activeren, maar die biedt eveneens onvoldoende informatie.

Schaalgrootte

Kaarten komen er in verschillende formaten en op verschillende schaalgroottes. De meest voorkomende wandelkaarten zijn er op 1:20.000, 1:25.000 en 1:50.000. Voor een kaart op schaal 1:20.000 geldt dat 1 cm op de kaart 200m in werkelijkheid voorstelt. Dus zal op een kaart van 1:50.000 een cm reeds een halve kilometer voorstellen. Je kan dus samenvattend stellen dat hoe groter de schaal (= hoe kleiner het getal na de dubbelpunt), hoe gedetailleerder je kaart zal zijn.

Kaartdetails

Clipboard02

Ik heb het stukje kaart rond de Tourmalet nog eens uitvergroot. Het origineel van deze kaart is op schaal 1:25.000. Op dit kaartgedeelte heb ik met nummers enkele dingen aangeduid, met name:

  1. De hoogtelijnen: op kaarten van 1:25.000 zoals hierboven worden deze normaliter per 10 meter aangeduid. Hier kan je zien dat de hoogtelijn 1950m aangeduid is en deze ook dikker is, net als die van 1800m, 1850m en 1900m. De hoogtelijnen daartussen zijn wat dunner getekend. Dit verhoogt ook de leesbaarheid van de kaart. De richting waarin het cijfer van de hoogtelijn geschreven is, geeft ook de richting van de stijging aan. In dit omcirkelde voorbeeld ga je dus hoger hoe meer je naar het noorden gaat. Hoe dichter hoogtelijnen tegen elkaar staan, hoe steiler de hellingsgraad wordt.
  2. Rotswanden: hier kan je in de regel niet zomaar naar boven, want het betreft meestal een quasi verticale wand of toch zeer geaccidenteerd terrein.
  3. Wandelpaden: je ziet hier een zwarte stippelijn, maar ook een zwarte stippelijn met een paarskleurige overdruk. Dit zijn wandelpaden. GR-paden worden in Frankrijk op topografische kaarten aangeduid met die roze/paarse kleur.
  4. Bronnen: deze worden op een kaart aangeduid met “Sce” of “Sces”, soms ook “Font”. Belangrijk bij het plannen van de watervoorziening.
  5. Monumenten: op topografische kaarten in o.a. Frankrijk en België worden monumenten aangeduid. Op deze Franse kaart heb je het woord “Stèle”, maar soms ook de afkorting “Mon.” Dit kan een handig referentiepunt zijn om na te gaan of je nog op het juiste pad bent.
  6. Hoogte: uitgedrukt in meter boven de zeespiegel geven deze jou een goede indicatie van de hoogte van een bepaald punt en kan je nagaan hoeveel hoogtemeters je nog voor de boeg hebt vanaf jouw positie. Deze gebruik ik zeer vaak.
  7. (Natuurlijke) verhoging: dit kan een breuklijn of depressie zijn. M.a.w. net als de eerder genoemde rotswand een plaats waar je niet zomaar over kan, maar omheen moet.

Praktijk

Dit zijn maar enkele van de vele dingen die je op een kaart kan aflezen. In de praktijk oriënteer ik me voortdurend op de kaart en hou dit soort markeringen en details in de gaten. Dit voorkomt dat je verkeerd gaat lopen en in minder bewoonde gebieden verloren loopt.

Een bruikbare tip

Op topografische kaarten wordt normaal altijd met een raster gewerkt waarop coördinaten afgelezen kunnen worden. Deze zijn natuurlijk handig als je de exacte coördinaten van je locatie wil kennen. Zowel in conventionele Lambert-notering, zoals bijvoorbeeld op Belgische kaarten, alsook de UTM-notering die je op alle kaarten terugvind. Leuker is echter dat die rasters steeds een oppervlakte van 1 km bij 1 km (een km² dus) afbakenen en je bijgevolg een snelle berekening, in vogelvlucht, kan maken van de afstand die je nog rest tijdens je wandeling.

Kompas

Het gebruik van een kompas is op zich niet moeilijk aan te leren. Ik vind het evenwel moeilijk om dit met tekst uit te leggen. Kijk daarom eens naar dit Engelstalige artikel van de Britse Ordnance Survey (d.i. de cartografische dienst van Groot-Brittannië) met twee korte video’s over hoe je met je kompas de juiste richting kan bepalen. Ik neem altijd een kompas mee, maar ik gebruik dit vooral als ik ergens buiten de paden wil doorsteken of het mistig is en dus de juiste richting wil aanhouden. Ook moet je bij langere wandelingen rekening houden met o.a. magnetische declinatie, maar daar heb je in België eigenlijk geen last van. Oefening baart kunst.